Blijf op de hoogte!

Elke zondag onze digitale nieuwsbrief ontvangen? Schrijf je gratis in »

Meierijstads kerstverhaal

maandag 24 december 2018
Leestijd: 
3 minuten

Ze was er ingetrapt. Ze had het nooit moeten doen. Maar het leek zo op haar lijf geschreven. ‘In dit gebouw heb je de mooiste jaren beleefd’, had iemand haar gezegd. En dat had ze beaamd. Want dit gebouw deed ooit dienst als gemeentehuis en ja, daar was ze zielsgelukkig geweest. Wat ook gedenkwaardig was: ze was de laatste burgemeester ooit van dit dorp. De laatste in een reeks die zo’n zeven eeuwen had geduurd.

Het afscheid was emotioneel geweest. En na dat afscheid was ze nog vaak teruggekomen in het dorp. Elke zaterdag zowat. Voor verse kaas, bloemen en smikkelkip. En daar op de zaterdagse markt had iemand het haar gevraagd. Of ze niet terug wilde naar dat gemeentehuis.

 

Voor ze het wist had ze ja gezegd, had ze de schetsontwerpen van Hotel Meierijdorp goedgekeurd en zette ze handtekeningen waar ze geacht werd handtekeningen te zetten. En nu was ze eigenaresse van, zo stond in krulletters op de deur, ‘het skônste hotel van heul Skèndel’. En ook nog eens het enige.

Wat niet hetzelfde is als ‘en dus een groot succes’. Een oud-wethouder had het wel voorspeld. Die had ooit breed gebarend verteld hoe mooi het was om hier een kamer te huren, de ramen open te slaan en dan uit te kijken op het Marktplein. De beste man had nooit een kamer gehuurd. Vrijwel niemand had ooit een kamer gehuurd.

Die aankoop van het hotel was een domme zet geweest, besefte ze nu. Niet zo dom als die fusie die ze destijds met die andere dorpen had bedacht, maar dom was het wel.

 

Het was kerstavond en ze had receptionist Ton vrijaf gegeven. Die had het nog druk genoeg, met de laatste voorbereidingen van de Skèndelse Kwis. Dus daar zat ze dan, achter de balie van een verder leeg hotel. Ze had het koperen belletje al twee keer gepoetst, het inschrijfboek al drie keer van links naar rechts verlegd en weer terug en al vier kopjes koffie gedronken. Waarom ging ze niet naar huis? Wie zou er dan nog aankloppen voor een kamer? Zelfs de ijsbaan tegenover het hotel was uitgestorven.

 

Juist op dat moment hoorde ze de deur opengaan. Een jong stel kwam binnen. Klanten! Eindelijk klanten.

‘Heeft u nog een kamer vrij?’, vroeg de jongeman. Hij zag er een beetje sjofel uit. ‘Even kijken’, zei ze. Ze keek naar het zwarte scherm van haar uitgeschakelde computer. ‘Poeh. Lastig. Of wacht… Ja, nog één tweepersoonskamer! U treft het!’

‘We hebben niet veel geld’, zei de jongeman. ‘We zijn te voet onderweg om ons in te laten schrijven bij de gemeente. Moeten nog een kilometer of tien lopen voor we in de hoofdstad van de wereld zijn, aan de andere kant van het kanaal. Daar moeten we heen, naar de metropool Agrifood Capital. Maar Marie kan geen stap meer verzetten.’ Hij wees naar zijn vrouw, die hoogzwanger was. Zij legde haar handen op haar bolle buik en zuchtte diep.

‘We zijn er om elkaar te helpen’, hoorde de hotelier zichzelf zeggen. Ze wilde vertellen dat dit dorp barmhartig was en zo een AZC de grond uitstampte als het nodig was. Zonder mekkeren. Maar ze liet het bij: ‘De opbrengst van deze ene overnachting zal het allemaal niet meer goedmaken, dus jullie hoeven alleen toeristenbelasting te betalen.’

Daar schrok het jonge stel van. ‘We hoorden dat hier in dit dorp geen toeristenbelasting bestaat’, zei de vrouw. ‘We hebben al zo weinig geld!’ De hotelier zuchtte. ‘Ik kan er niks aan doen, het komt door de SP.’

 

‘Dan lopen we maar door’, zei de jongeman. ‘Maar het is wel raar. Je zou toch denken dat zo’n partij oog heeft voor de noden van arme mensen. En kon de VVD er niks tegen doen? Die zijn altijd voor lage belastingen.’

‘Hier niet’, zei de hotelier. ‘Hier is alles anders. De christenen sturen kinderen die hier al vijf jaar of langer wonen het land uit, de socialisten laten mensen betalen die bij gebrek aan geld in eigen land op vakantie moeten, de liberalen verhogen de belastingen en de enige Schijndelse partij die we hebben – die komt op voor middenstanders in Veghel, het verenigingsleven in Olland en nog zo wat dingen buiten ons dorp. Idiote gemeente is het hier. Geen touw aan vast te knopen.’

Toen ze was uitgesproken keek ze pas op van haar beeldscherm en zag ze nog net de deur dichtvallen. Het stel was vertrokken.

 

John en Marie schuifelden langs de schaatsbaan. ‘Het wordt een gevaarlijke reis’, waarschuwde John zijn vrouw. ‘We moeten door De Tunnel.’ Marie rilde. ‘Je bedoelt de steile tunnel met de scherpe bocht?’

‘Het is niet anders’, zei John en sloeg zijn arm om Marie.

 

Daar in die tunnel gebeurde het. John en Marie hadden het eerst niet eens in de gaten – in de tunnel stond bijna altijd water en dus leek het niet raar dat ze nu met hun voeten in het vocht stonden. Zo nu en dan dreven er kurkkorrels in, Sint-Oedenrode was immers niet heel ver weg.

Maar het was dit keer geen regenwater. De vliezen van Marie waren gebroken. John had nog een paar euro beltegoed. Wie moest hij bellen? Hij scrolde door zijn contacten. Sociaal Wijkteam! Daar wisten ze altijd raad.

En kerstavond of niet, er had iemand dienst. ‘Dus u heeft snel hulp nodig?’, vroeg een vriendelijke dame. ‘Heel snel’, zei John. ‘Dan is het raadzaam om eerst te bezien wat u zelf kunt. U staat immers in uw kracht, hebben we besloten. Mocht dat niet lukken, dan is er uw sociaal netwerk. En dan pas kunnen we…’

Toen was het beltegoed op. Marie lag kermend en jammerend op de grond. John keek en zag het hoofdje. ‘Jezus Christus!’